Behandeling hechtingsproblemen en herstel van basisvertrouwen

 

 

Vormen van onveilige hechting

Kinderen met onvoldoende veilige hechting en basisvertrouwen zijn onder te verdelen in drie groepen. Elke groep kent zijn eigen copingstrategie en gevolgen op korte en lange termijn. Als volwassene loop je dus meer risico op bepaalde problemen als je als kind onvoldoende veilige hechting hebt ervaren. Er zijn ook mengvormen mogelijk waardoor een kind net niet past in één van deze groepen. Hierdoor kan verwarring ontstaan over de diagnose.

 

 

Onveilig vermijdend

Het kind heeft onvoldoende vertrouwen in de beschikbaarheid van de ouder. Het kind heeft niet het gevoel dat de ouder kan geven wat het nodig heeft. Daarom heeft het kind het opgegeven om nog iets te verwachten. Het kind zoekt onvoldoende troost en hulp bij de ouder.
Gevolg: Deze kinderen hebben geleerd om alleen op zichzelf te vertrouwen. Ze gedragen zich al vroeg zelfstandig. Ze vragen weinig hulp aan anderen maar lossen hun eigen problemen op. Onderhuids zit echter continu de angst om verlaten te worden. Ze hebben vaak weinig vrienden of de vriendschappen zijn oppervlakkig. Deze kinderen lopen op jonge en latere leeftijd een grote kans op eenzaamheid, depressies, burn-out en verslaving.

 

Onveilig afwerend

Het kind is in de war en weet niet wanneer de ouder wel of niet beschikbaar is. Het zoekt veiligheid door met zielig en soms claimend gedrag het contact met de ouder vast te houden. Tegelijkertijd is het kind echter boos en gefrustreerd en weert het de ouder af. Alleen als de ouder in de buurt is, durft het kind initiatieven te nemen om de wereld te ontdekken. Zodra de ouder niet in zicht is, stopt het explorerende spel.

Gevolg: Deze kinderen hebben niet geleerd om op zichzelf te vertrouwen. Ze hebben de ander nodig om te kunnen bestaan. Ze klampen zich vast in vriendschappen en relaties waarbij continu de angst aanwezig is om afgewezen te worden. Ze hebben op latere leeftijd vaker last van extreme jaloezie en paniekaanvallen. Om deze gevoelens van angst te dempen kunnen ze sneller neigen naar verslavende middelen.

 

Gedesorganiseerd

Het kind laat zowel gedrag zien dat hoort bij onveilig vermijdend als bij onveilig afwerend. Hierdoor kan het gedrag er vreemd uitzien: het kind kan bv. naar de opvoeder kruipen en zich dan opeens bedenken en achteruit kruipen. Er is eigenlijk constant sprake van een intern conflict bij het kind. Aan de ene kant is het bang voor de ouder; aan de andere kind heeft het de ouder nodig. Meestal is er sprake van opgelopen trauma’s.
Gevolg: Deze kinderen durven niet op zichzelf te vertrouwen maar ook niet op anderen. Ze hebben andere mensen nodig maar durven ze tegelijkertijd niet te dichtbij te laten komen. Dit roept constant gevoelens op van extreme angst en onveiligheid. Er is weinig voor nodig om deze angst om te laten slaan in paniek en agressie. Deze kinderen kunnen hun gevoelens zelf niet goed reguleren. Op latere leeftijd is de kans groter dat deze gedesorganiseerde kinderen een borderline persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen.