Behandeling hechtingsproblemen en herstel van basisvertrouwen

 

 

Wat kan er mis gaan

Ruim dertig procent van alle kinderen heeft problemen op het gebied van hechting en basisvertrouwen. Vaak ontstaat dit door een combinatie van omstandigheden waar je als ouders niet altijd invloed op hebt.

 

 

Aanleg is een belangrijke factor. Er zijn kinderen die vanuit een genetische aanleg snel spanning en stress ervaren. Zij hebben minder veerkracht en zijn minder flexibel in het omgaan met veranderingen. Zij vragen om specifieke afstemming (mentaliseren) van hun ouders om de stress en spanning te verminderen. Zonder deze specifieke afstemming kunnen deze kinderen zich niet veilig voelen. Ook zijn er kinderen die niet zo goed zijn in het vragen van hulp en troost. Zij geven vage signalen af die je als ouder snel kunt missen of verkeerd kunt begrijpen. Ook deze kinderen zullen niet de veiligheid voelen die je als ouder zo graag wilt geven.

 

Kinderen met deze extra kwetsbaarheid kunnen bijvoorbeeld autisme, ADHD of een andere ontwikkelingsstoornis hebben, of het kunnen kinderen zijn die hooggevoelig, temperamentvol, hoogbegaafd, laagbegaafd of erg introvert zijn.

 

Daarnaast bepalen ook de ervaringen die kinderen meemaken in de eerste jaren van het leven hoe ze over de wereld denken. Deze overtuigingen oftewel interne werkmodellen kunnen heel hardnekkig zijn en moeilijk te veranderen. Zo kan bij een huilbaby de overtuiging ontstaan dat niemand echt kan helpen: “Ik sta er alleen voor”.
Een kind dat vaak te horen krijgt wat het fout doet maar niet (of onduidelijk) wat het goed doet, kan de overtuiging krijgen dat het niets kan: “Ik ben niet goed genoeg.”
Een kind dat veel wisselende situaties en verzorgers meemaakt, denk bijvoorbeeld aan adoptie- of pleegkinderen, kan de overtuiging krijgen dat je het maar nooit weet in het leven: “Ik kan nergens op vertrouwen.”

 

Helaas komt het ook voor dat een kind in eerste instantie voldoende veilig gehecht is, maar dat hier door latere ervaringen verandering inkomt. De overtuigingen van het kind dat het goed genoeg is en dat de wereld veilig is, kunnen dan veranderen. Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld gepest worden; er niet bij mogen horen; het overlijden van vader of moeder; een ziekenhuisopname; overvraagd of ondervraagd worden op school, huiselijk geweld, (v)echtscheiding, et cetera.